De wachtkamer II
De wachtkamer II

De wachtkamer II
Ik zit weer in de wachtkamer, terwijl mijn cliënt behandeld wordt.
Mijn blik valt op een man die op een ladder staat, zorgvuldig een kier dichtzet met kit.
Strak, precies werk.
Ik geef hem een compliment.
“Dat ziet er netjes uit, dat krijg ik zelf nooit zo strak.”
Hij lacht. “Ieder z’n expertise.”
En hij vraagt wat ik doe.
Ik vertel dat ik werk in de zorg, vooral met palliatieve cliënten.
Een vrouw in de wachtkamer mengt zich in het gesprek.
“Dat is wel heftig werk… jouw cliënten zijn dus terminaal?”
Rustig leg ik haar uit wat het verschil is tussen palliatief en terminaal.
Dat palliatieve zorg niet alleen over de laatste fase gaat, maar over kwaliteit van leven — soms nog maanden, soms langer.
Ook vertel ik dat ik regelmatig nachten werk in het hospice.
De vrouw reageert verbaasd:
“Daar kom je toch alleen als je niet meer uit bed kunt?”
Ik voel de behoefte om dat beeld recht te zetten.
Ik leg uit dat mensen in een hospice, als het kan, gewoon uit bed mogen. Dat ze soms nog even naar buiten gaan, een rondje lopen, de frisse lucht voelen.
En dat een opname vaak gebeurt wanneer een arts verwacht dat het levenseinde nadert — meestal binnen drie maanden.
Soms wordt die periode nog verlengd.
Er valt even een stilte.
In die stilte voel je hoe belangrijk uitleg is.
Hoeveel aannames er zijn.
En hoeveel rust het kan geven als iemand het nét even anders hoort.
Er zijn nog zoveel aannames en onwetendheden.
Juist daarom is het zo belangrijk om hierover te praten en uitleg te geven.
Zodat iemand weet wat er mogelijk is, wanneer je van de arts hoort dat je niet meer beter wordt, maar er nog wél kwaliteit van leven kan zijn.
Dat je er niet alleen voor staat.
Dat er hulp is.
Dat er mensen zijn die met je meelopen, die kijken naar de hele mens, en niet alleen naar de ziekte.
Misschien begint het soms gewoon hier…
in een wachtkamer.
Waar ruimte komt voor het echte gesprek, ontstaat rust.









